Op het prikbord in de stal hangt een briefje: wormkuur op zaterdag, alle paarden, dezelfde pasta. Of je hebt net een paard gekocht waarvan niemand kan zeggen wanneer het voor het laatst is ontwormd. In beide gevallen moet je je paard ontwormen zonder te weten of het schema erachter nog klopt. Het briefje op het prikbord is vaak ouder dan het advies waar dierenartsen nu mee werken.
Dit stuk is voor de eerste eigenaar in die situatie. Het zet op een rij wat de huidige richtlijnen zeggen, wat een mestonderzoek wel en niet laat zien, wie in Nederland een ontwormingsmiddel mag verkopen en wat je je dierenarts kunt vragen. Het is geen behandelplan: welk middel, hoeveel en wanneer bepaalt je dierenarts.
Hoe vaak paard ontwormen? Niet meer op de kalender
Jarenlang was het antwoord: minstens vier keer per jaar, of zelfs om de acht weken. De Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde (KNMvD) noemt dat vaste schema in haar Leidraad Paard en Parasieten van oktober 2024, geschreven voor dierenartsen, met zoveel woorden achterhaald. Intussen is bekend, schrijven de auteurs, dat maar ongeveer een derde van de volwassen paarden zoveel eieren uitscheidt dat behandelen wenselijk is.
De reden is resistentie. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) zegt het kort: bij veelvuldig gebruik kunnen ontwormingsmiddelen tot resistentie leiden.
Nieuwe middelen komen er niet aan. De Amerikaanse vereniging van paardendierenartsen AAEP schrijft in haar in 2024 herziene richtlijnen voor parasietenbestrijding dat er in 40 jaar geen nieuwe klasse wormmiddelen voor paarden is bijgekomen en dat er geen wordt verwacht. De middelen die nog werken, doen dat korter: in de jaren negentig bleven de eitellingen, afhankelijk van het middel, 8 tot 16 weken laag, in studies sinds 2017 nog 4 tot 5 weken. De AAEP raadt daarom aan te stoppen met het ontwormen van alle paarden op vaste momenten het hele jaar door, en met het blind afwisselen van middelenklassen.
Paard ontwormen volgens de richtlijnen van nu
Een internationaal overzichtsartikel uit 2025 dat zeven richtlijnen naast elkaar legt, waaronder de Nederlandse, concludeert dat ze allemaal op monitoring berusten: eerst onderzoeken, dan de paarden behandelen die het nodig hebben, en daarna controleren of het middel gewerkt heeft. De details verschillen: de Britse CANTER-richtlijnen uit 2026 laten de voorschrijver bijvoorbeeld naar risico een drempel tussen 200 en 500 eieren per gram mest kiezen.
| Richtlijn | Mestonderzoek | Wanneer een volwassen paard wordt behandeld |
|---|---|---|
| KNMvD, Nederland (2024) | Bijvoorbeeld 2 à 3 mestonderzoeken tijdens het weideseizoen | Bij een hoge ei-uitscheiding: meer dan 200 eieren per gram mest (EPG) |
| ESCCAP, Europa (2019) | In het eerste jaar minstens vier keer, daarna drie keer | Boven 200 EPG, of volgens een seizoensplan dat aan mestonderzoek is gekoppeld |
| AAEP, Verenigde Staten (2024) | Eén of twee keer per jaar | Elk paard één of twee keer per jaar als basis; hoge uitscheiders, boven 500 EPG, nog één of twee keer in het seizoen waarin wormen worden overgedragen |
De gedachte erachter is dat wormen niet gelijk verdeeld zijn. De AAEP beschrijft een 20/80-regel: een vijfde van de paarden in een groep, of minder, scheidt 80 procent van de eieren uit, en een volwassen paard blijft meestal van jaar tot jaar een hoge of een lage uitscheider. Wie de hoge uitscheiders vindt, hoeft de rest minder vaak te behandelen.
Minder is niet nooit. De AAEP houdt voor elk paard een basisbehandeling aan, en het overzichtsartikel legt uit waarom: de grote strongyliden zijn teruggekeerd in Denemarken en Zweden, waar de regels het strengst zijn. De ESCCAP-richtlijn, waarvan geen Nederlandse editie bestaat, houdt een behandeling aan het eind van het jaar aan voor paarden die in het seizoen niets kregen.
Voor veulens en jonge paarden geldt dit allemaal niet. De AAEP raadt behandelen op basis van eitellingen bij jonge paarden af, en ESCCAP noemt de oude gewoonte om veulens elke vier tot acht weken te behandelen niet langer passend. Hun plan gaat op leeftijd, en de dierenarts maakt het.
Wat een mestonderzoek niet ziet
Een mestonderzoek schat hoeveel wormeieren een paard op de wei achterlaat. De KNMvD waarschuwt dat de ei-uitscheiding geen goede indicatie is voor de hoeveelheid wormen in het paard, en de AAEP voegt toe dat een eitelling niet bedoeld is om ziekte vast te stellen. Drie dingen mist het onderzoek: lintworm, waarvan de standaardmethode minder dan 10 procent van de besmettingen opspoort; aarsmaden, waarvan de eieren op de huid rond de anus kleven en niet in de mest zitten; en de larven van de kleine strongyliden die ingekapseld in de darmwand zitten.
Voor lintworm schrijft de leidraad dat men eenmaal per jaar kan behandelen, bijvoorbeeld in het najaar, als een besmetting is aangetoond of wordt vermoed. Ze bespreekt ook de speekseltest, met een sensitiviteit van 83 procent en een specificiteit van 85 procent. De Britse CANTER-richtlijnen bouwen op zo'n antistoffentest, die volgens het overzichtsartikel alleen daar commercieel wordt aangeboden.
Voor de ingekapselde larven zegt de AAEP dat er geen gegevens zijn die een klinisch voordeel van routinematige behandeling aantonen. De ziekte die deze larven veroorzaken, komt volgens het overzichtsartikel in Noord-Europa en Nederland met enige regelmaat voor. De leidraad meldt daarbij uit klinische ervaring dat ze ook regelmatig optreedt na het toedienen van een wormmiddel in het najaar of de winter. Dit is een afweging over jouw paard en jouw stal, geen datum in de agenda.
Controleren of het middel nog werkt
Op deze stap staat elke richtlijn. Bij een reductietest wordt een eitelling van vóór de behandeling vergeleken met een eitelling 14 dagen erna. De vuistregel van de AAEP is een daling van meer dan 95 procent, en de vereniging wil dat de test elk jaar op elke stal wordt gedaan.
Wie een ontwormingsmiddel mag verkopen
In Nederland is dat helder. De NVWA schrijft dat ontwormingsmiddelen voor paarden alleen verkocht mogen worden op vertoon van een diergeneeskundig voorschrift, een recept, van een dierenarts. Een winkel met een vergunning mag ze dus verkopen, maar niet zonder dat recept. De toezichthouder noemt naast resistentie nog een reden: de middelen vormen een risico voor het milieu omdat ze moeilijk afbreekbaar zijn.
De praktijk is weerbarstiger. In 2024 inspecteerde de NVWA 12 kleinhandelaren en stelde bij 6 daarvan vast dat ze ontwormingsmiddelen zonder voorschrift aanboden en verkochten. De NVWA zegt er zelf bij dat het project te klein was om te kunnen zeggen of dat beeld voor de hele sector geldt. Het overzichtsartikel uit 2025 vat de Nederlandse regel zo samen: alleen dierenartsen mogen voorschrijven, maar diagnostiek vooraf is niet verplicht. Of je je paard ontwormen kunt zonder eerst mest te laten onderzoeken, is dus iets om met je dierenarts af te spreken.
Daarachter staat Europees recht. Artikel 34 van Verordening (EU) 2019/6 maakt diergeneesmiddelen voor voedselproducerende dieren receptplichtig, tenzij een middel uitdrukkelijk is vrijgesteld. Paarden tellen als voedselproducerende dieren. Elders is het losser: in de Verenigde Staten zijn wormmiddelen voor paarden vrij verkrijgbaar, en in het Verenigd Koninkrijk mogen naast dierenartsen ook apothekers en speciaal gekwalificeerde verkopers ze voorschrijven.
Daarom telt ook het paardenpaspoort. Volgens Uitvoeringsverordening (EU) 2021/963 geldt elk paard als bestemd voor de slacht voor menselijke consumptie, tenzij het daar in het paspoort onherroepelijk van is uitgesloten. In de bijsluiter staat of een wormmiddel aan zo'n paard gegeven mag worden en hoe lang de wachttijd is. De dierenarts kan daarom naar het paspoort vragen.
Een nieuw paard zonder ontwormgeschiedenis
Als je een paard koopt, vraag de verkoper dan naar de gegevens over wormkuren en mestonderzoeken wanneer je de aankoopkeuring afspreekt. Zijn die er niet, zeg dat dan tegen je dierenarts. De Britse CANTER-richtlijnen adviseren een nieuwkomer zonder betrouwbare voorgeschiedenis te onderzoeken en als gemiddeld of hoog risico te beschouwen, van de wei te houden tot het risico op besmetting van het land is weggenomen, en minstens 21 dagen in quarantaine te zetten. Helemaal eens zijn de richtlijnen het op dit punt niet, schrijft het overzichtsartikel. Vraag je nieuwe stal waarop het ontwormbeleid gebaseerd is voordat de trailer voorrijdt.
Wat je je dierenarts kunt vragen
- Wanneer moet bij dit paard mest worden onderzocht, en bij welke eitelling zou je behandelen?
- Is op deze stal al eens een reductietest gedaan om te zien welke middelen hier nog werken?
- Hoe wil je bij een paard van deze leeftijd en met deze voorgeschiedenis omgaan met lintworm en ingekapselde larven?
- Wat staat er in het paspoort over de slacht, en verandert dat wat je kunt voorschrijven?
En één voor de staleigenaar: hoe vaak wordt de mest van de wei gehaald? ESCCAP adviseert dat zo mogelijk dagelijks te doen en anders minstens twee keer per week. De Britse vereniging van paardendierenartsen BEVA noemt goed management van dit soort, en niet het middel, de steunpilaar van wormbestrijding.
Waar wij in beeld komen
Hoofine kan geen mestmonster onderzoeken en niets voorschrijven. Wat het wel kan, is de mensen die dat kunnen op één plek zetten. De paardendierenartsen in de gids zijn er om die vragen aan te stellen, en bij de pensionstallen loont het om naar het ontwormbeleid te vragen voordat je verhuist. Mestonderzoek en behandeling zijn één regel in de jaarbegroting die wat een paard per maand kost op een rij zet.



